In Het gezicht van de wasmachine kijken we naar een wereld die voortdurend in beweging is. Alles draait, verschuift en verandert. Tegelijkertijd heeft die wereld iets dromerigs en vertrouwds: het zachte, stabiele geluid van een machine die onverstoorbaar haar programma doorloopt. Wat zich daarbinnen precies afspeelt, blijft echter moeilijk te doorgronden.
Tussen het water, het wasmiddel, het sop en de zeepbellen ontstaat iets nieuws. De kleuren en bellen geven het werk een lichte, bijna hoopvolle sfeer. Alsof er tussen alle beweging en onrust ook ruimte ontstaat voor een nieuw begin. Wellicht zien we het verbaasde en zoekende blik van een vrouw, maar er staat haar ook zeker iets te wachten.
Iets in haar wordt gewassen, verandert en komt uiteindelijk anders tevoorschijn dan het was.
Tegelijkertijd is de wasmachine een spiegel. In het glas verschijnt een reflectie, maar nooit helemaal helder of onvervormd. Wat we zien, wordt vermengd met alles wat zich achter het glas afspeelt.
