Kunstschaap toont een schaap dat door het landschap loopt, met op zijn rug een opvallende kleurmarkering van graffiti. Wat op het eerste gezicht een menselijke ingreep lijkt, krijgt bij nadere beschouwing een andere betekenis.
De beschildering verwijst met een knipoog naar de manier waarop schapen door mensen worden gemarkeerd tijdens het dekken. Een praktische, eeuwenoude handeling wordt hier omgedraaid: de markering lijkt niet langer iets wat het dier simpelweg is overkomen, maar iets wat het schaap zich heeft toegeëigend.
Daarmee verandert een teken van menselijk bezit en controle in een vorm van zelfexpressie. Het schaap wordt niet alleen bekeken, gemerkt en gecategoriseerd, maar lijkt ineens zelf iets te willen zeggen.
Is het nog een merkteken, of inmiddels een kunstwerk?
Kunstschaap speelt zo met de grens tussen menselijk handelen en de eigen identiteit van het dier.
